Takkenbossen in de strijd

Wilgenhout is in onze streken altijd ruim voorhanden geweest. Dit soort takkenbossen van wilgenhout, als hier op de foto te zien, werden veelvuldig gebruikt tijdens het beleg van een vesting, zowel door de belegeraar als door de belegerden.


Belegeringsmiddelen en benaderingsmethodieken (Wikipedia publiek domein).

 

Sinds de komst van buskruitwapens werden deze takkenbossen (ook wel fascines genoemd) gebruikt als tijdelijke borstwering, om achter te schuilen voor het vuur van de tegenstander.
Ook vlechtwerk van wilgentenen, in de vorm van schanskorven en beschoeiingen van loopgraven e.d. werd veel toegepast. Zelfs tot in de Tweede Wereldoorlog.

Eerste Wereldoorlog, Duitse loopgraaf met betonnen bunker en wilgentakken beschoeiing.

Voordelen van de takkenbos:

  • Relatief licht van gewicht, zodat een man deze kon dragen.
  • Men kon hem ook rollen.
  • Het benodigde wilgenhout was ruim voldoende voorhanden.

Daarnaast werden ook schanskorven en zandzakken gebruikt.

Gebruik schanskorven in de 16e eeuw.

In een verslag van de belegering van de Citadel van Antwerpen in 1832, geschreven voor het algemeen publiek door een Franse voormalig officier der Genie valt te lezen:

“De eerste zorg van‚ het belegeringsleger is, de insluiting der vesting te bewerkstelligen ‚ dat wil zeggen, alderzelver toegangen zoodanig te bezetten, dat het onmogelijk wordt er hulp in. te brengen ‚ en dat alle gemeenschap naar buiten aan het garnizoen ontzegd is.

De genietroepen slaan terstond de handen aan het werk, om een volledig approvisionnement van schanskorven, fascines, takkenbossen, horden en zandzakken daar te stellen.

Schanskorven zijn eene soort van manden zonder bodem, van groene wissen vervaardigd; men geeft hun gewoonlijk 24 duimen middellijn, en 22 voet hoogte, de piquetpalen steken eenige duimen buiten de manden, en zijn afgepunt om ze hierdoor in den grond te kunnen bevestigen. De schanskorven met aarde gevuld, dekken volkomen tegen de gewone geweerkogels.

Fascines zijn bundels van groene takken, door banden gebonden; zij hebben gewoonlijk eene lengte van 6 voeten, de worsten zijn lange dikke fascines. De takkenbossen zijn niet anders als fascines , uit rechtere en dikkere takken samengesteld.

De horden zijn platte vlakken van fascine hout en op gelijke wijze als de schanskorven samengesteld, voornamelijk liggende , om een moerassig of vochtig terrein te bekleeden, ten einde hetzelve te kunnen begaan.

Zandzakken zijn van een zeer algemeen gebruik, en zeer nuttig in den vestingsoorlog. Het zijn kleine linnen zakken, van 20 duim lengte op 9 duim middellijn, welke men met zand of met aarde vult, en welke geenen geweerkogel zoude kunnen doortrekken”.

Genie soldaten dragen schanskorven tijdens het beleg van de Citadel van Antwerpen in 1832.
Achter hen is de ingang van een “geblindeerde” (overdekte) geschutsbatterij, met een “bomvrij” dak, gemaakt van boomstammen, daarover 2 lagen fascines kruislings en een laag grond.

Tot de oorlog veranderde, door de komst van moderne wapens in het laatste kwart van de 19e eeuw, werd een vestingstad belegerd door op afstand een loopgraaf te maken, rond om de vestingstad. Deze loopgraaf liep dus min of meer parallel aan de vestingwal en heette dan ook een Parallel. De eerste gegraven loopgraaf heette dan ook de 1e Parallel en als daaraan begonnen werd, dan was het beleg officieel gestart. Vanaf dat moment telde men de dagen dat een beleg duurde.

In de lage landen kon men geen diepe loopgraven maken, vanwege de hoge grondwaterstanden. Vandaar het gebruik van takkenbossen en schanskorven, om een borstwering te maken. Het maken van de loopgraven met borstwering gebeurde in de nacht, zodat de verdedigers van de vesting hier geen goed zicht op hadden. Het openen van de 1e Parallel ging als volgt in zijn werk:

  1. Bij nacht nam elke man een takkenbos mee.
  2. Men liep richting de vesting.
  3. Als het gevaarlijk werd, ging men achter de takkenbos liggen, ieder naast de ander, zodat er een lange lijn over het veld werd gevormd van takkenbossen, met daarachter de mannen.
  4. Men rolde de takkenbossen richting vesting tot op de juiste afstand.
  5. De militaire ingenieurs die een beleg begeleidden, gaven aanwijzingen zodat de lijn in de goede richting liep, daar waar de 1e Parallel moest komen.
  6. Elke man had ook een schep en/of houweel bij zich en begon zich dan in te graven.
    De uitgegraven aarde gooide men voor de takkenbos. Zodoende ontstond een aaneengesloten loopgraaf met borstwering.
  7. Als de 1e Parallel gereed was, ging men van hieruit loopgraven richting de vesting graven, weer beschermd door een takkenbos voor zich uit te rollen.
    Men groef echter niet recht op de vesting af, maar schuin naar voren. En na een bepaalde afstand schuin de andere kant op. Zo ontstond dus een zig-zag loopgraaf richting de vesting, waarbij men de borstwering altijd aan de zijde van de vesting hield en dus beschermd bleef tegen vuur uit de vesting.
  8. Na de vesting op deze wijze tot een bepaalde de afstand te hebben genaderd werd de 2e Parallel gemaakt, enz, enz. Zo werd de vesting dus steeds nauwer ingesloten, terwijl de aanvallers op deze wijze constant gedekt bleven tegen vuur van de verdedigers van de vesting. Dit ging zo door, tot men in het Glacis van de vesting kwam.
  9. Omdat het Glacis een oplopend verhoogd terrein was, kon men hier diepere loopgraven maken. Hierin werd op een bepaald punt geschut verzamelt, voor het bresschieten.
  10. Wanneer er een bres in de vestingwal was ontstaan, ging men tot de stormaanval over. Men moest dan wel over de gracht zien te komen. Hiervoor werden ook weer takkenbossen gebruikt. In de nacht werd de gracht ter plaatse gedempt met takkenbossen, waarover men dan planken legde, of er zelfs een vooraf gemaakte houten tunnel overheen schoof. Een veelgebruikte methode was ook om niet bres te schieten, maar eerst de gracht overgang te maken, onder dekkingsvuur van veel kanonnen en de duisternis van de nacht. Aan de overkant van de gracht groef men dan een mijngang in de vestingwal, waarin men vaatjes buskruit stapelde, om deze vervolgens tot ontploffing te brengen, wat dan een grote bres in de vestingwal veroorzaakte.


Paralellen en naderingsloopgraven.
Par Nb: j’ai rajouté moi-même les fléchages — Traité de l’attaque des places, wikimedia commons publiek domein.

Natuurlijk verliep dit alles niet perfect, waardoor de verdedigers toch wel aanvallers wisten te raken. Vanaf het eerste begin van het maken van loopgraven, probeerden de verdedigers van de vesting dit zoveel mogelijk te hinderen, door schieten en door het doen van uitvallen vanuit de vesting.

Op bepaalde punten van de Parallellen werden ook geschutsopstellingen (Batterijen) gemaakt. Die werden voorzien van een hogere borstwering, gemaakt uit lagen van schanskorven en takkenbossen. Vanaf het einde van de 17e eeuw werden de plaatsen van die opstellingen door de militaire ingenieurs bepaald, zodanig, dat deze geschutsbatterijen parallel schoten aan de lange rechte stukken van de vestingwal en van de bastions. Zo kon zogenaamd enfilerend vuur worden gegeven. Ofwel de schootsrichting was zodanig, dat men met één schot alle schutters, die achter een recht stuk van de borstwering van de vestingwal stonden kon raken. Om dit tegen te gaan, maakten de verdedigers Traversenheuveltjes, haaks op de borstwering. Deze traversenheuveltjes waren vooraf aangelegd, of werden tijdens het beleg gemaakt met gestapelde schanskorven.


Oefening op Bastion 8 van de vesting Gorinchem, hier zijn twee traversenheuvels gemaakt van schanskorven te  zien en links is ook de beschoeiing van de borstwering van wilgentakken vlechtwerk.
Regionaal Archief Gorinchem.

In de 19e eeuw ging het garnizoen tijdens een belegering van een vesting, tijdelijk (mortier)bomvrije geschutsopstellingen maken, schuilplaatsen en tijdelijke munitiemagazijnen.
Die tijdelijke bouwwerken werden voorzien van een dak van hele dikke eiken balken, of boomstammen, met daarover een laag takkenbossen, dan weer balken en een laag grond. Door de takkenbossen was de dekking dus enigszins verend, om de klappen op te vangen.

De takkenbos en wilgenhout in het algemeen was dus een uiterst belangrijk strijdmiddel, zowel voor de aanvaller als voor de verdediger.
Zelfs in de eerste wereldoorlog en tweede wereldoorlog weden loopgraven nog bekleed met een beschoeiing van wilgenvlechtwerk en werd de takkenbos nog gebruikt, om tankgrachten te dichten, of slappe ondergrond te overwinnen. We zien dan ook regelmatig plaatjes van pantserwagens en tanks, voorzien van een opgebonden takkenbos.

Churchill AVRE tank of 163rd Brigade, 54th Division, with fascine during ditch crossing – public domain.

Dit artikel is geschreven door Hugo Ouwerkerk.
Werkgroep Vesting Gorinchem

Advertenties